Ik hou de grote, koude hand heel goed vast. Het trekt me door straten, over grijze bruggen met daaronder water nog doodser dan de kille hand die me meesleurt. Jachtig lopen nietszeggende mensen rond me heen. Ze zijn als torens. Ik steek mijn hand ernaar uit om te voelen of ze ook zo hard zijn. Jachtig trekt de hand me naar de overkant van de straat. Blikken monsters grauwen naar me als ik de straat oversteek, ze gruwen, grollen en grienen. Ik stap sneller en de kille hand trekt bemoedigend mee.
Ik val, ik verdrink. Iedereen loopt door en de hand die me vast had, was al lang dood.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten